Start
Redactie
Beemster Agenda
Nieuwsarchief
Verenigingen
Gastenboek
Over de Bengel
Links
Barent Fabritius (1624-1673), zoon van Pieter Carelsz
en het gezin van de vier schilderende Fabritiussen
Middenbeemster, 1 juli 2018    
Wie geen lid is van het Historisch Genootschap en dus ook niet het regelmatig verschijnend tijschrift 'De Nieuwe Schouwschuit' in de bus krijgt, heeft ook niet de resultaten van de speurtocht naar de familie Fabritius gelezen. Het artikel werd geplaatst in de editie van november 2017. Nadat er een half jaar overheen is gegaan wil deze site zijn bezoekers het hele verhaal over de vier schilderende Beemster Fabritiussen in de 17de eeuw niet onthouden.
Het bekendst is natuurlijk Carel Fabritius geworden en misschien was hij ook de wel de beste, maar zijn broer Barent heeft ook prachtige schilderijen gemaakt die overal ter wereld in musea hangen; een jongere broer Johannes had eveneens talent, allemaal geërfd van vader Pieter, die in Beemster schoolmeester/koster van de kerk en hobbyschilder was. Daarom heb ik op internet een speurtocht gestart, die toch wel opmerkelijke resultaten opleverde, maar ook meer vragen.
In dit verhaal staan veel mitsen en maren, maar de gevonden gegevens en data kloppen wel.
Te beginnen dus bij het begin: de aanstelling in 1621 van schoolmeester en koster bij de kerk van Middenbeemster: Pieter Carelsz, zich later noemende Fabritius
In het jonge gezin van Pieter Carelsz en zijn vrouw Barbertje Barentsdr. Van der Maes, getrouwd in 1621 werden 11 kinderen geboren. Drie van hen bleken het schilderstalent van hun vader te hebben geërfd. Dat waren Carel, gedoopt op 7 februari 1622, Barent, op 16 november 1624 en Johannes op 30 november 1636. Het gezin woonde vanaf 1620 in het schoolhuis aan de Middenweg in Middenbeemster.  

  Van vader Pieter Carelsz is bekend, dat hij aardig kon schilderen en daarom was in 1616, bij zijn aanstelling als koster van de kerk, voorzanger en schoolmeester bedongen, dat hij naast zijn te vervullen diensturen ook nog een paar uurtjes schilderles mocht volgen. Na 400 jaar is het niet meer na te gaan wie zijn leraar is geweest. Het schilderij van de kerk van Middenbeemster dat aan Pieter wordt toegeschreven, getuigt eigenlijk niet echt van een heel groot talent, maar toch was hij de stamvader van drie talentvolle Nederlandse schilders in de Gouden Eeuw.
Aan zijn schildersezel kregen Carel, Barent en Johannes dus hun eerste lessen in de schilderskunst. Toen hun talent bleek gaf vader Pieter Carelsz ze de mogelijkheid dat verder te ontwikkelen. Hij moet ergens contact hebben gehad met kringen rond Rembrandt van Rijn, die wellicht de twee broers hebben aanbevolen voor een leertijd bij die grote schilder in Amsterdam.
Misschien was het door hun grootvader Petri, die -naar uit de annalen blijkt-, een nogal losbandig leven leidde, gezien door de ogen van de gereformeerde kerk. In ieder geval is bekend, dat Carel van 1640-1644 bij Rembrandt zijn opleiding genoot en Barent volgde hem van 1643 tot 1646. Ze moeten dus zeker een jaar samen bij Rembrandt in de leer zijn geweest.
 
 

Pieter Carelsz en Barbertje, die vroedvrouw was, verdienden samen 1200 gulden per jaar. Ze hadden er blijkbaar wel wat voor over om hun zoons te laten studeren bij niemand anders dan Rembrandt. Deze vroeg voor een leerling jaarlijks 100 gulden en dat moet toch wel een greep in hun geldbuidel zijn geweest. Volgens een tijdgenoot van Rembrandt verdiende deze per jaar wel 2500 gulden aan lesgeld. Waar een geoefend vakman ongeveer 250 gulden per jaar verdiende, een zeer behoorlijk bedrag. Rembrandt verkocht de schilderijen die zijn leerlingen maakten onder eigen naam en stak bovendien de winst in zijn eigen zak. Pas als leerlingen zich zelfstandig vestigden mochten ze hun eigen naam onder het werk zetten.

Voordat leerlingen naar levend model mochten werken, moesten zij tekeningen, prenten en schilderijen natekenen en naschilderen. Ook zijn eigen schilderijen liet Rembrandt kopiëren. Pas in een laat stadium mochten leerlingen zelf schilderijen maken (ontwerpen en schilderen). Soms werden die door de meester gecorrigeerd. Niet iedere leerling leerde hetzelfde bij Rembrandt; dit kon uiteenlopen van verfijnd schilderen tot schilderen met de grove kwast.
Rembrandt kocht in januari 1639, het kapitale koopmanshuis aan de Sint Antoniesbreestraat, het huidige Rembrandthuis voor 13 duizend euro. De leerlingen werkten daar in de zogenoemde ‘Cleyne Schildercaemer’.
 
  Carel was in 1641 al op 17-jarige leeftijd met zijn buurmeisje Aeltge van Hasselt getrouwd. Hij vestigde zich in Amsterdam in de Rundstraat.
In 1643, Carel was inmiddels al vader van twee kinderen, overleed Aeltge bij de geboorte van hun derde kind. Carel was dus al op 21-jarige leeftijd weduwnaar.
Hij zal zijn opleiding bij Rembrandt nog voltooid hebben, maar vertrok in 1644 met zijn dochters terug naar Beemster.
Zijn twee jaar jongere broer Barent was in 1643 net aan zijn opleiding bij Rembrandt begonnen.
 
Wellicht heeft Carel in Beemster geprobeerd in zijn levensonderhoud te voorzien door het maken van schilderijen voor de vele rijke bewoners, die hier de lusthoven bevolkten.
In 1645 maakte hij een zelfportret: een sombere jonge man. Wellicht dat de zon voor hem weer ging schijnen toen hij in 1650 voor de tweede keer trouwde met Agatha van Pruyssen, een weduwe afkomstig uit Delft, waarna hij naar Leiden verhuisde. Daar waren hem helaas nog maar enkele jaren geluk gegund, want op 12 oktober 1654 kwamen hij en zijn hele gezin om het leven door een ontploffing van het kruithuis aldaar.
  In 1650 maakte Barent eveneens een zelfportret. De gelijkenis tussen beide broers is wel opvallend. (dit schilderij wordt trouwens ook wel toegeschreven aan Carel).
Waar Barent na zijn opleiding in 1646 verbleef, is niet bekend. Wellicht was hij weer bij zijn familie thuis in Beemster, waar ook Carel verbleef. Mogelijk reisde Barent hem in 1650 weer achterna, maar In 1652 keerde hij terug naar Beemster om te midden van zijn familie in het huwelijk te treden met Catharina Mussers van Delft. Hier werden zijn twee zoons: Pieter op 7 april 1653 en Lambert 25 april 1654, geboren.

 

Intussen in Beemster, was ook de jongste broer in het gezin van Pieter Carelsz, Johannes (gedoopt op 30 november 1636), aan het schilderen geslagen en ook hij kreeg les van vader Pieter. In 1652 ging Pieters gezondheid hard achteruit en in 1653 overleed hij op 55-jarige leeftijd.   Het kwam dus goed uit dat Barent, met zijn drie jaar opleiding bij Rembrandt en zes jaar beoefenen van de schilderkunst het lesgeven aan Johannes kon voorzetten.
Barent schilderde ca. 1652 zijn broer Johannes. tijdens de schilderles, evenals dit schilderij van het geslachte varken in 1652.
 

Waar Barent zijn onderwerpen voor zijn schilderijen in religieuze of mythologische taferelen zocht, zoals hier de aanbidding van de herders, vond Johannes het in de stillevens: vissen of bloemen. Van hem zijn helaas maar twee schilderijen bekend. Hij overleed op 12 februari 1709 in Hoorn, waar hij zich had gevestigd. Verder is geen informatie over Johannes beschikbaar.

  Wellicht om weer in de buurt van Carel te zijn, verliet Barent in 1654 weer de Beemster en vertrok met zijn gezin naar Katwijk.
Het overlijden van Carel moet hem zeer geroerd hebben. Maar het leven ging door en in 1655 werd in Barents gezin nog een zoon geboren: Valentijn.
Op 22 januari 1657 tekende Barent een contract voor een huis in Leiden voor drie jaren, ingaande 1 mei en betaalde tot oktober van dat jaar.
Ook werd hij lid van het Leidense Schildersgilde op 14 mei 1658. Niet bekend is of hij zich inderdaad in Leiden vestigde. Vermoedelijk woonde hij gewoon met vrouw en kinderen in Katwijk, waar na Valentijn nog drie kinderen werden geboren.
Misschien verbleef hij wel tijdelijk in Leiden omdat hij in 1657 een belangrijke opdracht kreeg: het maken van een familieportret van de Stedelijk architect W. van der Helm en zijn gezin.
 
Barent schilderde in ca. 1660 Johannes de Evangelist, een zelfportret   Barent gunde iedereen ook een kijkje in zijn dagelijks leven: zijn interieur thuis.
De verloren zoon    
In december 1661 kreeg Barent een zeer belangrijke opdracht. Voor de Lutherse kerk in Leiden moest hij vijf grote panelen schilderen (60 x 329 cm) met onderwerpen als De Verloren Zoon, Lazarus en de rijke man en De Farizeeër en de Tollenaar. Deze panelen waren bestemd voor een plek naast het orgel.  
  Deze drie zijn in ieder geval bewaard gebleven en bevinden zich nu in het Rijksmuseum. Het schilderen van de parabel moet in de periode 1660-1664 een flinke tijd in beslag hebben genomen. Daarnaast schilderde hj ook nog het schilderij van de drie engelen en in 1661 de aanbidding van de herders. Dat zijn de laatst bekende werken.
In 1665 besloot Barent om met zijn gezin toch maar weer te verhuizen en dit keer naar Amsterdam.
Zijn geluk had hem waarschijnlijk in de steek gelaten. De vraag naar het genre waarin hij uitblonk was niet meer zo gewild. Hij had een beste portretschilder kunnen worden, maar er kwam blijkbaar niets meer uit zijn handen
Overlijden Barent
In oktober 1673 overleed hij op 49 jarige leeftijd. In het bevolkingsregister van Amsterdam (register 1127/fo. 262) werd zijn dood geregistreerd. Het 17e eeuwse handschrift is moeilijk te lezen, maar er staat ongeveer het volgende: 'Op 20 oktober 1673 - Barendt Fabritius, man van apotheker (Protarin) Musser van D, in de Reguliersdwarsstraat bij de Vijzelstraat nr 6 hs.'


In een kaartenarchieven bevindt zich een kaart van Amsterdam, getekend door Balthasar Floris van Berkenrode uit 1647. Deze kaart is in groter formaat te zien als de navolgende link wordt aangeklikt: kaart van Amstelredanum uit 1647 van Balthasar Floris van Berkenrode.


 

Resume
Barent Fabritius was ongetwijfeld een knappe man. Tot zelfs in Japan bleek men van dit schilderij gecharmeerd en werd hij zelfs vergeleken met een ander idool uit de hedendaagse popwereld: Michael Jackson.
Barent Fabritius uit de Gouden Eeuw heeft daardoor meer bekendheid gekregen.
De zoektocht naar de vier Beemster schilders zou een mooi gegeven kunnen zijn voor het schrijven van een roman, daarbij uitgaand van het gegeven dat de broers zeer op elkaar gesteld waren en elkaar inspireerden. Gezien het feit dat Barent en Carel het ouderlijk huis in Middenbeemster opzochten en er ook nog weer jaren samen verbleven kan opgemaakt worden, dat het gezin waaruit hij voortkwam met zijn 11 kinderen harmonieus was.
De schilderijen die Barent in zijn Beemster periodes maakte, zijn aangrijpend van eenvoud, hebben een ietwat boersig karakter maar zijn levensecht.
Als je de figuren in zijn schilderijen bekijkt is het ook heel goed mogelijk dat zijn gezinsleden model stonden.
Beemster zou zijn vier schilderende zonen uit het verleden meer moeten eren.

Na het overlijden van Carel in 1658 was Barent duidelijk zijn inspiratie kwijt. Alleen schilderijen met bijbelse taferelen zijn van hem bekend. Hoewel die erg mooi geschilderd zijn, raakten deze religieuze werken ook al in zijn tijd uit de gratie.
Werken van Barent zijn overal te zien in musea in Aken, Amsterdam, Atrecht, Brunswijk, Brussel, Cassel, Darmstadt, Dresden, Frankfort, Hamburg, Kopenhagen, München, Londen, Stockholm, Turijn, Wenen.

Bronnen

Aantekeningen
  1. De website institutopoimenica.com vermeldt het volgende: (Ele foi enterrado no cemitério da igreja em Leiden, que era geralmente reservado aos habitantes mais pobres de Amsterdam. Ao morrer, deixou a esposa (que viveu até 1701) com seis filhos). Vrij vertaald: Hij werd begraven op het kerkhof in Leiden, waar was gereserveerd voor de armste inwoners van Amsterdam. Dat was aanleiding om het Historisch Archief in Amsterdam te vragen of het gewoon was dat armlastige inwoners van Amsterdam helemaal in Leidenmoesten worden begraven. Dat leverde de volgende reactie op: "Barent Fabritius is op 20 oktober 1673 op het Heiligeweg- en Leidsche Kerkhof ter aarde besteld."
    Door de stadsuitbreiding van Amsterdam moest dit kerkhof echter geruimd worden. De nieuwe informatie van het Stadsarchief heeft nog weer iets nieuws aan de feiten gevoegd.
  2. Het opvallend, dat meer uitgebreide informatie  over Barent op internet slechts gevonden kon worden als op de naam Catharina Mussers van Delft wordt gezocht.
  3. In het boek 'Het Puttertje' schrijft de auteur Donna Tartt abusievelijk dat Carel met Catharina Mussers van Delft trouwde.
  4. Werk van Carel en dat van Barent is bijna niet van elkaar te onderscheiden. Daar zijn kenners het nog niet met elkaar over eens. Ze hadden natuurlijk ook dezelfde opleiding genoten bij Rembrandt. Daarom kwam het nogal eens voor dat een en hetzelfde schilderij aan beiden wordt toegeschreven.
  5. In 1924 viel voor de heer E.F.Kossman (www.dbnl.org/) nog maar weinig te schrijven over Barent Fabritius. Nu is er toch wel heel wat meer informatie over deze schilder en zijn familie, die zich plotseling van de naam Fabritius bediende, boven water gekomen. Door de intervallen van de tijd te combineren kon toch een verband worden gelegd
  6. De heer G.Ernsting schreef een artikel in De Nieuwe Schouwschuit van juni 2016, een uitgave van het Historisch Genootschap Beemster, over het milieu waaruit Pieter Carelsz stamde, dat van Carolus Petri Agrola, de vader van Pieter. Hij  trof in archieven aan dat er sprake van dronkenschap en insubordinatie en dat dit wellicht uitwerking zou kunnen hebben gehad op Pieters gezin. Weliswaar werd de koster/schoolmeester eens een keer genoteerd voor alcoholische beneveling, maar in een tijd dat geen water uit de kraan werd gedronken maar bier, is het niet zo verwonderlijk als men eens een keer te diep in het glas kijkt. Maar ja, een schoolmeester/voorzanger/koster moet immers van onberispelijk gedrag zijn...
    In de notulen van de Polderbestuur werd opgetekend dat de schoolmeester niet meer in staat was goed les te geven. Aangedrongen werd op zijn ontslag. Dat was in de Paastijd van 1653; slechts enkele dagen later, op 22 mei overleed Pieter op 55 jarige leeftijd. Hij werd in de kerk begraven.